Ronde van Vlaanderen 1989

Nee, liefde op het eerste gezicht was het niet. Toen Edwig Van Hooydonck in 1987 zijn eerste Ronde van Vlaanderen reed, was hij vooral gefrustreerd geraakt. “Ik fietste die dag van de ene ontgoocheling naar de andere. De Ronde was me vooral een veel te zenuwachtig gedoe. Er werd constant geduwd en getrokken. Voor iedere helling moest je met je ellebogen en schouders vechten, anders werd je gewoon naar achter gedrumd.”

En dan was er ook nog de Koppenberg. “De nagel aan mijn doodskist”, gaf de Kempenaar toe. “Godzijdank was het de allerlaatste keer toen. De toestanden daar, dat had niets meer te maken met een wielerwedstrijd. Je kon daar niks winnen, alleen maar verliezen. Echt niet rechtvaardig meer.”

Van Hooydonck wist na die eerste Ronde anders wel waar zijn tekortkomingen lagen. “Het kweken van macht was mijn grootste probleem. Bij elke beklimming kwam ik in de problemen. Hij besloot er wat aan te doen, verbleef tijdens de wintermaanden bij Hilaire Van der Schueren in Atembeke, en beklom er keer op keer de Muur en de Bosberg. “Door met de grote versnelling die hellingen op te rijden wilde ik wat meer volume krijgen in mijn benen.” Maar er is ook het psychologische voordeel. “Tijdens de wedstrijd is het dan precies alsof je een oude bekende tegenkomt die voor jou geen geheimen meer heeft.”

Maar dan moet je er eerst wel in een gunstige positie geraken. Ook in 1989 bleek dat een probleem te zijn. “Voor de Taaienberg had ik me nog maar eens naar achteren laten drummen”, zei Van Hooydonck. “Op de klim vielen enkele renners zodat ik te voet naar boven moest. Eerlijk gezegd, dacht ik daar al dat het weer een verloren zaak zou zijn. Maar aan de andere kant voelde ik me nog goed. Voorbij de Eikenberg zat ik alweer voorin. Dat ging dus beter dan verwacht.”
Pas op veertig kilometer van de streep werd Lietti, als enige overblijver van een lange vlucht, opgeraapt. Voorbij de Berendries ontsnapten Hermans, Sergeant, Frisor; Lauritzen, Peiper, Van Hooydonck en Sörensen. “En dan kwam ik op bekend terrein’ vertelde de Wuustwezelaar. “Ploegleider Jan Raas had me vroeger al gesproken over de rol van de Bosberg in de Ronde. Daar moest ik mijn laatste kaart uitspelen. Met snelle jongens als Hermans en Frison in de kopgroep had ik ook geen andere keuze.”

Eerst neutraliseerde Van Hooydonck een uitval van Lauritzen om vervolgens keihard toe te slaan. In één langgerekte spurt zweefde hij over de natte kasseien, terwijl zijn opponenten van links naar rechts dokkerden en leken stil te staan. Vervolgens boog hij zich laag over het stuur om de weg naar Meerbeke aan te vangen. Daar schoot zijn gemoed helemaal vol. Wenend als een kind reed hij over de aankomst. Wenend stond hij ook op het podium, het gezicht verkrampt, de schouders schokkend, in zijn ene hand de beker, in zijn andere hand een drinkbus. Onbeholpener kon een mens niet zijn. Zelfs tijdens de interviews bleef hij maar snotteren en snikken. Heel Vlaanderen smolt voor de tranen van die lang opgeschoten, ietwat slungelachtige jongen van 22 jaar. “Ik wist met mijn geluk geen blijf,” zei Van Hooydonck nadien. “Je wint ook niet iedere dag een topwedstrijd zoals de Ronde. Ik kon gewoon niet vatten wat me overkwam. Het blijft nog altijd een van de frappantste beelden uit de geschiedenis van de Ronde.